Zondagavond 25 oktober - HC Zondag 23   

 

Vraag 59: Maar wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft?

Antwoord: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens.

Vraag 60: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?

Antwoord: Alleen door een waar geloof in Jezus Christus; alzo dat, al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht die Christus voor mij volbracht heeft, zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem.

Vraag 61: Waarom zegt gij dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt?

Antwoord: Niet dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toe-eigenen kan.

 

Liturgie:

Psalm 32: 1

Psalm 85: 1

Lezen: Lukas 18: 1-14

Psalm 32: 3, 4

Psalm 32: 5, 6

Psalm 85: 4

 

Thema: ‘Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven’:

1) Het nut van het persoonlijke geloof

2) Geen waardigheid in mijzelf

3) Volkomen waardigheid in Christus

 

Leestip:

- Johannes 4: 43-54 (geloof van de hoveling)

- 1 Korinthe 1 (in Christus)

- 1 Johannes 5 (geloof in Christus)

 

Citaat: “Als God stilzwijgt en tevreden is, ja om Zijns Zoons wil ons voor rechtvaardig houdt, wie is het dan die oorzaak heeft om ons te beschuldigen? … Nu Christus, de volmaakte Rechter Zelf, voor ons bidt en de Vader ons ook uit genade voor rechtvaardig houdt, wie kan er dan schade aanbrengen aan onze zaligheid?” P. Datheen, Parel van Christelijke Troost.

 

Gespreksvragen:

1. Uiteindelijk gaat het in het leven om deze ene vraag: hoe zult u/jij rechtvaardig verschijnen voor God? Hoe luiden de eerste vier regels van Psalm 32 vers 1 (berijmd)?

2. Hoe luidt het antwoord van de meeste rabbijnen in de tijd van de Heere Jezus op de onder 1 gestelde vraag?

3. In het antwoord wordt gezegd dat de gelovige in Christus rechtvaardig is. Hoe leert de Heilige Geest dat? Op welke wijze ga je dan zien dat je buiten Christus niet rechtvaardig bent?

4. Wat betekent het concreet als je voor de troon staat en je bent ‘in Christus’ gerechtvaardigd? Wat kunnen we in dit verband  van het gelezen Schriftgedeelte leren? En van Zacharia 3?

5. Het antwoord vervolgt door te wijzen op het zijn van een erfgenaam. Werk dat eens uit: wat is een erfgenaam en wat gaat een ware christen dan precies erven? Leg daarbij een relatie met hetgeen we hebben gezien in Zondag 22.

6. In vraag en antwoord 60 gaat het om het ‘nochtans’ van het geloof. Wat wordt daarmee bedoeld?

7. De Heere schenkt de gelovige: a) volkomen genoegdoening, b) gerechtigheid en c) heiligheid van Christus. Geef eens aan wat dat is.

8. Waarom wordt er in de HC onderscheid gemaakt tussen ‘schenken’ en ‘toerekenen’? Leg dit eens toe aan de hand van een voorbeeld.

9. Waarom is er naast de vragen 59 en 60 nog een aparte vraag over het ‘geloof’ in vraag en antwoord 61?

10. De opstellers van de HC waren bevreesd voor het feit dat mensen zouden denken dat ‘het geloof’ toch een verdienstelijke daad van de mens zou zijn. Leg dat eens uit.

11. Het geloof is een instrument, een lege hand, waarmee de weldaden van Christus worden ontvangen. Leg dat eens uit. De lege hand zien we ook zo in het beeld van de tollenaar in de tempel. Waarom?

 

Voor de kinderen:

1. Vanavond ging het over de ‘bate van het geloof’. Je mag het zo lezen als: ‘wat heb ik nu eigenlijk aan het geloof?’. Geef jij eens het antwoord: ‘Het geloof in de Heere Jezus levert mij de eeuwige z……………. op’.

2. Wie in de Heere Jezus gelooft, is rechtvaardig voor God. Dat betekent dat God geen z…………………. meer in je ziet. God zegt: ‘Het is weer helemaal g…………. tussen ons’.

3. Wij zongen uit Psalm 32. Maak de zin eens af: ‘Welzalig hij wiens ………………………………’

4. Als God je zonden vergeeft: a) doe je op aarde nooit geen zonden meer, b) blijf je zolang je op deze aarde bent nog een mens die kan zondigen. Welke is juist?

 


Implemented by GJdeBruijn